|
|
 |
Juridisch
advies op maat
door Wegwijzer Vleeswereld in samenwerking met de Huisadvocaten |
|

mr. Jan Damstra
Huisadvocaten
|
U bent ondernemer in hart en nieren
en heeft een bloeiend bedrijf. Daar stopt u al uw energie in.
Jammer genoeg loopt u als ondernemer - te pas of te onpas - tegen allerlei
regels aan. Regels die u ernstig kunnen belemmeren in uw bedrijfsvoering
terwijl u juist verder wilt groeien.
Wij huisadvocaten willen u hierbij ondersteunen.
Dankzij de centrale faciliteiten vanuit de formule kunnen wij voor de volle
100% bezig zijn met ons juridisch vak. Dus met u en uw organisatie.
Aan de hand van de formule hebben wij een breed zicht op wat er allemaal
speelt binnen de sector en weten we welke ontwikkelingen en regelgevingen
voor u van belang zijn.
Als ondernemende advocaten hebben we hiervoor een aantal praktische hulpmiddelen
ontwikkeld. Enerzijds om geschillen te helpen voorkomen. Anderzijds als
het geschil zich toch aandient om de basis te leggen voor een goede en snelle
oplossing.
|
|
Uit
de vele juridische vragen die wij dagelijks krijgen, selecteren wij regelmatig
veelvoorkomende thema’s die we voorzien van een praktische toelichting.
Voorbeelden van deze thema's worden door de Wegwijzer Vleeswereld op deze
pagina geprojecteerd en geregeld aangevuld met nieuwe onderwerpen.
Onderwerpen die u zelf aangeeft worden in behandeling genomen.
Mail uw vraag geheel vrijblijvend.
(klik hier) |
|
rechtstreekse doorlink naar:
1. Wijziging van een functie
2. Geheimhouding en klokkenluiden
(deel 1)
3. Geen beleid ongewenst gedrag:
werkgever aansprakelijk
4. Wet gelijke behandeling
op grond van leeftijd bij de arbeid
5. Ontslag op staande voet
terrecht gegeven?
6. Bescherming zelfst. ondernemers
7 Winkelier aansprakelijk
|
Artikel 5 ONTSLAG
OP STAANDE VOET TERECHT GEGEVEN? (deel 1)
Wat moet een werknemer hebben "misdaan"
om terecht op staande voet te worden ontslagen?
Werkgevers vinden soms dat bepaalde gedragingen van hun werknemers niet
door de beugel kunnen, maar is dat aanleiding om ontslag op staande voet
te geven ?
De praktijk leert dat werkgevers vaak naar het middel van ontslag op staande
voet grijpen, maar dit later weer moeten intrekken omdat de gedraging
van hun werknemer geen ontslag op staande voet rechtvaardigt.
Een geldig ontslag op staande voet moet gebaseerd zijn op een zogenoemde
"dringende re-den". Wat is een dringende reden ?
Een voorbeeld kan dit verduidelijken.
De werkgever heeft de werknemer, 42
jaar oud en een jaar in dienst als chauffeur, op staande voet ontslagen
omdat hij op heterdaad was betrapt bij het stelen van een waterbroes (sproeikop).
De chauffeur was verantwoordelijk voor het bevoorraden van supermarkten.
Een medewerker van de supermarkt heeft gezien dat de chauffeur de waterbroes
in de cabine van zijn vrachtauto legde. De chauffeur heeft dit erkend,
maar heeft er op gewezen dat de waterbroes zich bij het afval bevond en
bestemd was voor vernietiging. Hij zag er daarom geen kwaad in, de wa-terbroes
mee te nemen. De kantonrechter overwoog dat de werknemer zich had moeten
reali-seren dat hij niet zonder toestemming van zijn werkgever materiaal
van zijn werkplek mee naar huis mag nemen. Bovendien was de werknemer
op de hoogte van het handboek van de werkgever, waarin staat dat het niet
is toegestaan eigendommen en/of afvalstoffen mee te nemen en dat, wanneer
dat wel gebeurt, ontslag op staande voet gegeven zal worden, hoe gering
de waarde ook is.
Volgens de kantonrechter ging het om een vergrijp dat te gering van aard
was voor het aan-nemen van een dringende reden.. Als de werknemer toestemming
had gevraagd om de sproei-kop mee te mogen nemen, had hij die toestemming
waarschijnlijk gekregen. Daar kwam nog bij, dat de werknemer zich niet
eerder had misdragen. Ontslag op staande voet was in dit geval dus een
te zwaar middel.
Een werkgever zal zich dus in elk voorliggend geval moeten afvragen, of
de bijzondere om-standigheden van dat geval ontslag op staande voet rechtvaardigen.
In de praktijk leidt een bepaalde
gedraging van een werknemer die niet kan worden bestempeld als een dringende
reden, wel vaak tot een verstoring van de arbeidsverhouding, waardoor
de werkgever de arbeidsovereenkomst met deze werknemer niet wil voortzetten.
In dat geval is het niet de werkgever, die ontslag op staande voet geeft,
maar de Kantonrechter die de arbeidsovereenkomst ontbindt op verzoek van
die werkgever en wel op grond van ge-wichtige redenen.
Daarover een volgende keer meer.
|
artikel
4: Wet gelijke behandeling
op grond van leeftijd bij de arbeid (
deel 1 )
De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid is per
1 mei 2004 in werking getreden. Vanaf dat moment is iedere vorm van discriminatie
op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs verboden.
Alleen als het stellen van een leeftijdsgrens objectief te rechtvaardigen
is, is onderscheid naar leeftijd wel toegestaan. Het verbod op onderscheid
op grond van leeftijd geldt bij werving, selectie en aanstelling van personeel,
arbeidsbemiddeling, arbeidsvoorwaarden, bevordering en ontslag. Daarnaast
is het van toepassing op beroepsonderwijs, beroepskeuzevoorlichting, loopbaanoriëntatie
en het lidmaatschap van werkgevers- of werknemersorganisaties of een vereniging
van beroepsgenoten.
Het stellen van een leeftijdsgrens kan in sommige gevallen geoorloofd
zijn. Specifieke uitzonderingen zijn werkgelegenheids- en arbeidsmarktmaatregelen
bijvoorbeeld het bevorderen van de arbeidsdeelname van jongeren en ontslag
bij pensioengerechtigde leeftijd. De leeftijd van 65 jaar zal steeds toelaatbaar
zijn, doch de discussie spitst zich toe op prepensioen of vervroegd pensioen
bij bijv 62-jarige leeftijd.
Voorbeelden van leeftijdsgrenzen die vaak worden gesteld zijn leeftijdsvakantiedagen
en seniorenverlof in CAO’s. Ook komt het voor dat een werkgever besluit
een leeftijdsgrens te hanteren bijvoorbeeld in een advertentie. Die leeftijdsgrenzen
moeten in het vervolg objectief gerechtvaardigd worden. Dat geldt vanaf
2 december 2006 ook voor afspraken in bijvoorbeeld CAO’s over ontslag
dat is gekoppeld aan pensioen op een bepaalde leeftijd onder de 65 jaar.
Voorwaarde daarbij is dat die leeftijd voor de datum van inwerkingtreding
van de wet in de CAO-afspraken is vastgelegd.
Ingevolge de gelijke behandelingswetgeving kan het maken van (in)direct
onderscheid onder omstandigheden zijn gerechtvaardigd. In dat geval dient
de partij die mogelijk onderscheid heeft gemaakt feiten aan te dragen
ter rechtvaardiging hiervan. Of in een concreet geval sprake is van een
objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling
van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit
doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende
zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem
doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk.
Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een
middel is passend indien het geschikt is om het beoogde doel te bereiken.
Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met
een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk
is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als
aan al deze voorwaarden is voldaan levert het (indirecte) onderscheid
geen strijd op met de gelijkebehandelingswetgeving.
Hierbij zou gedacht kunnen worden aan het feit dat een werkgever probeert
in zijn organisatie enige mate van doorstroom te bevorderen. Dat heeft
bijvoorbeeld als argument gediend in de Martinair en KLM arresten over
de pensioengerechtigde leeftijd van piloten. In die uitspraken hebben
de kantonrechters geoordeeld dat het doorstroom argument een objectieve
rechtvaardiging opleverde. Aspirant vliegers zouden dan te lang op de
wachtlijst moeten staan. In het wetsvoorstel worden in de memorie van
toelichting voorbeelden genoemd van een objectieve rechtvaardigingsgrond
een functioneel leeftijdsontslag voor bijvoorbeeld brandweermannen. Of
wanneer er een zwaarwichtig bedrijfsbelang aan ten grondslag ligt. Bij
een functioneel leeftijdsontslag is het ook maar de vraag of er andere
middelen zijn om het doel te bereiken? In de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel wordt er het volgende onder andere over gezegd.
In een aantal gevallen worden leeftijdsgrenzen gesteld die in verband
met de vervulling van de functie noodzakelijk zijn ter bescherming van
de gezondheid en de veiligheid van betrokkenen. Dergelijke leeftijdsgrenzen
zijn objectief gerechtvaardigd indien wordt voldaan aan de vereisten van
legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit.
In de volgende aflevering wordt onder andere ingegaan op de bescherming
van (categorieën van ) werknemers en zwaarwichtige bedrijfsbelangen als
rechtvaardigingsgrond voor onderscheid op grond van leeftijd.
 |
|
artikel 3:
Geen beleid ongewenst gedrag:
werkgever aansprakelijk
In de Arbeidsomstandighedenwet wordt bepaald dat de werkgever een zo goed
mogelijk Arbobeleid dient te voeren, waaronder beleid tegen seksuele intimidatie,
agressie en geweld. In het Burgerlijk Wetboek staat dat de werkgever aansprakelijk
is voor schade die werknemers tijdens het werk kunnen oplopen. Schiet
de werkgever tekort in deze zorgplicht, dan kan dat hem duur komen te
staan.
Ondanks deze wetsartikelen hebben niet alle werkgevers afdoende beleid
ontwikkeld tegen ongewenst gedrag. Zij snijden zichzelf in de vingers
als zij ooit voor de rechtbank hun zorgplicht moeten aantonen. Volgens
artikel 7:658 in het Burgerlijk Wetboek ligt de bewijslast voor het voldoen
aan de zorgplicht bij de werkgever. Of hij moet kunnen aantonen dat de
schade die de werknemer heeft geleden het gevolg is van opzet of bewuste
roekeloosheid van de werknemer zelf.
Voor de werknemer is het voldoende als hij kan motiveren schade te hebben
geleden in de uitoefening van zijn functie. Hij moet daarbij aangeven
wanneer dat is gebeurd of op welke wijze.
Schadevergoeding
Nu is het de vraag in hoeverre het niet hebben van een beleid op het terrein
van seksuele intimidatie of ongewenste omgangsvormen gevolgen heeft voor
de aansprakelijkheid van de werkgever als verwoord in 7:658 BW. Het antwoord
hierop is kort en krachtig: ja, dat weegt wel degelijk mee. In de rechtspraak
heeft het niet of onvoldoende hebben van beleid herhaaldelijk geleid tot
het toekennen van een behoorlijke (schade)vergoeding aan de getroffen
werknemer. Daarin is ook een duidelijke lijn te onderkennen.
Een werkneemster wordt in het ziekenhuis waar zij werkt lastig gevallen
door de daar gevestigde longarts. Het ziekenhuis biedt haar vervolgens
vier andere functies aan, waarnaar zij moet solliciteren. Dit lukt niet
en het ziekenhuis vraagt vervolgens ontbinding aan. Ontbinding wordt toegewezen
onder toekenning van een vergoeding aan de werkneemster van € 20.400,00
De longarts betaalt haar daarnaast een bedrag van € 5500,00. Werkneemster
heeft vervolgens op basis van artikel 7:658 BW schadevergoeding gevorderd.
De kantonrechter wijst de gevraagde schadevergoeding af aangezien werkneemster
al een ontbindingsvergoeding heeft ontvangen. Op het hoger beroep van
de werkneemster overweegt de rechtbank te Rotterdam echter dat het ziekenhuis
geen beleid op het terrein van seksuele intimidatie heeft gevoerd, zodat
deze aansprakelijk was voor de door de werkneemster geleden schade. Alsnog
wees de rechtbank een smartengeld toe van € 9.100,00,- onder aftrek van
de vergoeding die de longarts aan haar had betaald.
Zeer verwijtbaar.
Het ontbreken van beleid kan ook reflecteren in de ontbindingsvergoeding
voor een slachtoffer van seksuele intimidatie van wie de werkgever de
arbeidsovereenkomst wil doen ontbinden op grond van 7:685 BW. Vorig jaar
maart nog oordeelde de kantonrechter te Apeldoorn dat het niet hebben
van een beleid als zeer verwijtbaar aan de werkgever moest worden toegerekend;
dat resulteerde in een factor C = 4 als vergoeding. Deze twee uitspraken
maken duidelijk dat het niet hebben van beleid op het terrein van ongewenste
omgangsvormen erg bepalend is voor de toekenning van smartengeld respectievelijk
een ontbindingsvergoeding. Vooral voor de hoogte daarvan. Dit jaar nog
is in een door mij gevoerde zaak aan mijn cliënte een vergoeding toegekend
van € 158.500,00.
 |
|
artikel 2:
Geheimhouding en klokkenluiden
(deel 1)
De Pettense kernreactordeskundige, die in de media meldde dat er door
onzorgvuldigheid een groot gevaar voor de volksgezondheid bestond, heeft
in Nederland een fenomeen onder de aandacht gebracht, dat in andere landen
al veel langer bekend was: dat van de “whistleblower”, of in het Nederlands:
de klokkenluider. Onder invloed van de toenemende stroom van publicaties
over klokkenluidende werknemers heeft het onderwerp ook politieke interesse
gewekt. Voor ambtenaren is in de Ambtenarenwet een regeling tot stand
gebracht waarin duidelijk wordt wanneer de ambtenaar misstanden bij de
werkgever in de openbaarheid mag brengen. Het Tweede Kamerlid Van Gent
(Groen Links) vond het vervolgens nodig om deze materie ook voor werknemers
te regelen. Hij heeft een initiatiefwetsvoorstel (wetsvoorstel 28 990,
15 juli 2003) ingediend, dat naast een regeling voor klokkenluiders, ook
meer in het algemeen de geheimhoudingsplicht van de werknemer vastlegt.
In deze bijdrage wordt eerst ingegaan op de regeling van de geheimhoudingsplicht.
Huidige wetgeving
In de huidige wet staat geen expliciete plicht opgenomen voor de werknemer
om geheimhouding te betrachten rond bepaalde informatie van de werkgever.
Alleen indirect is die geheimhoudingsplicht voor een werknemer af te leiden.
Allereerst staat in de wet dat het een grond voor ontslag op staande voet
kan zijn “wanneer de werknemer bijzonderheden aangaande de huishouding
of het bedrijf van de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt”.
Impliciet betekent dit dus dat de werknemer bepaalde bijzonderheden geheim
moet houden. Daarnaast is geheimhoudingsplicht ook af te leiden uit de
norm van goed werknemerschap: van een goed werknemer kan worden verlangd
dat hij bepaalde bijzonderheden die de bedrijfsvoering, relaties en werkzaamheden
van de werkgever betreffen geheim houdt. Tenslotte is er ook een strafrechtelijke
sanctie op overtreding van een geheimhoudingsplicht: degene die opzettelijk
aangaande een onderneming waar hij werkt of heeft gewerkt bijzonderheden,
waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend maakt wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van € 11.250,00.
Niet strafbaar is hij die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het
algemeen belang de bekendmaking vereiste.
Opleggen geheimhoudingsplicht
In de praktijk doet een werkgever er verstandig aan om op de werknemer
die bepaalde kennis heeft van gevoelige informatie een geheimhoudingsplicht
op te leggen. Dat kan in de arbeidsovereenkomst, in een daaraan gekoppelde
personeelsgids maar ook in een aparte geheimhoudingsverklaring. De werknemer
moet niet alleen worden verplicht tot geheimhouding maar ook zal zo veel
mogelijk moeten worden omschreven wŕt moet worden geheim gehouden. Immers,
het opleggen van een geheimhoudingsplicht is vooral bedoeld om vooraf
duidelijk te zijn over waar de werknemer over moet zwijgen. Als het ondoenlijk
is om nauwkeurig de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht te omschrijven
kan een werkgever ook kiezen voor een algemenere omschrijving als: datgene
geheim houden waarvan de werknemer weet of redelijkerwijs moet weten dat
geheimhouding geboden is.
Een geheimhoudingsplicht botst met het grondrecht van elke werknemer op
vrijheid van meningsuiting. Deze vrijheid is ingeperkt door de wetgeving
rond ontslag op staande voet en het strafrecht, maar niettemin moet werkgever
moet zich bij het opleggen van een geheimhoudingsplicht ook afvragen of
dat wel altijd even nodig is. Een receptioniste zal andere (minder) kennis
hebben van gevoelige informatie dan een vertegenwoordiger die op de hoogte
is van calculatiemethoden en prijsstellingen en dergelijke. Net als bij
een concurrentiebeding zou een werkgever terughoudendheid moeten betrachten
en alleen geheimhouding moeten opleggen als dat voor de bescherming van
zijn belangen redelijkerwijs nodig is. Op die manier wordt ook een evenwicht
bewaard met het recht op vrije meningsuiting.
In de volgende aflevering wordt nader ingegaan op de naleving, het wetsvoorstel
ter zake en recente voorbeelden.
 |
|
Artikel 1 : Wijziging
van een functie
In sommige gevallen zou het een werkgever goed uitkomen als deze de mogelijkheid
had om eenzijdig de functie van
een werknemer te wijzigen. Eenzijdige wijzigingen in de arbeidsovereenkomst
zijn echter fundamenteel in strijd met de
basisbeginselen van het arbeidsrecht: de contractuele verhouding van partijen
en “afspraak is afspraak”. Hoewel er
allerlei regels in de wetgeving bestaan die deze basisbeginselen nuanceren,
gelden de genoemde beginselen nog steeds als uitgangspunt. Een eenzijdig
opgelegde functiewijziging, wat ook kan inhouden dat een werknemer een
totaal andere functie toegewezen krijgt, is dus in strijd met de afspraak
die tussen werkgever en werknemer binnen hun contractuele verhouding is
gemaakt ten aanzien van de (uit te oefenen) functie.
De Hoge Raad, ons hoogste rechtscollege, heeft in 1998 de uitspraak gedaan
dat een werknemer soms moet instemmen met een gewijzigde functie. In het
zogeheten Taxi Hofman-arrest werd de volgende regel geformuleerd:
“Werkgever en werknemer zijn over en weer verplicht zich als een goed
werkgever en een goed werknemer te gedragen,
hetgeen meebrengt, wat de werknemer betreft, dat hij op redelijke voorstellen
van de werkgever, verband houdende met
gewijzigde omstandigheden op het werk, in het algemeen positief behoort
in te gaan en dergelijke voorstellen alleen mag afwijzen wanneer aanvaarding
onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van hem kan worden
gevergd”
Kort gezegd: een werknemer zal bij gewijzigde omstandigheden een redelijk
voorstel tot wijziging van de functie moeten aanvaarden. Deze uitspraak
heeft nog steeds niet aan kracht ingeboet, zo blijkt.
De kantonrechter diende zich te buigen over het volgende geval. Een werknemer,
58 jaar oud, was al sinds 1973 in dienst bij de werkgever in de functie
van accountmanager. Hij had deze functie vrijwel steeds vanuit zijn huis
in S. (in West Friesland) kunnen verrichten hetgeen onder andere werd
mogelijk gemaakt met behulp van moderne communicatiemiddelen. De laatste
tijd werkte de werknemer slechts vier dagen in de week. Op het functioneren
van de werknemer viel niets aan te merken. Er vond een reorganisatie plaats
waardoor het noodzakelijk werd - vanwege het nodige werkoverleg - om de
werkzaamheden vanuit het kantoor in V. (in de provincie Utrecht) te verrichten,
met als aanvangstijd 8.30 uur en dat gedurende vijf dagen per week.
Aan de werknemer werd de keus gegeven tussen de functie van vertegenwoordiger
Noord-Holland, onder gelijke arbeidsvoorwaarden en met de mogelijkheid
vanuit huis te blijven werken óf de functie van accountmanager nieuwe
stijl, voor vier dagen per week waarvan verplicht op 2 ŕ 3 dagen vanuit
het kantoor te V. en wel met als aanvangstijdstip 09.00 uur.
De werknemer weigerde beide functies omdat in het ene geval naar zijn
mening sprake zou zijn van een degradatie in niveau en in het andere geval
omdat de plicht deels vanuit V. te moeten werken de werknemer niet paste.
Werkgever en werknemer komen er niet uit. Uiteindelijk wordt door de werknemer
aan de rechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, waarbij de
werknemer een vergoeding van € 306.302,00 (fl. 675.000,00) vordert.
De kantonrechter overweegt, in de lijn van het Taxi Hofman-arrest, dat
een lang dienstverband als in dit geval en daarbij werkend vanuit huis
én het feit dat geen klachten bestonden over het functioneren van de werknemer
nog niet betekent dat de werknemer er vanuit mag gaan dat er tot zijn
pensionering geen wijzigingen in de uitoefening van zijn functie zullen
optreden.
De werknemer had op de in de ogen van de kantonrechter redelijke voorstellen
van de werkgever in moeten gaan en omdat hij dat geweigerd had werd hem
slechts een ontbindingsvergoeding van € 34.033,00 (fl. 75.000,00) toegekend.
 |
|
Artikel 6:
Bescherming zelfst.Ondernemers
Colportagewet beschermt ook kleine zelfstandige ondernemers.
Goed nieuws voor kleine zelfstandige ondernemers want de kantonrechter in Rotterdam bepaalde onlangs dat kleine zelfstandigen
net als particulieren door de Colportagewet beschermd worden tegen onbehoorlijke praktijken van verkopers
('colporteurs') die huis-aan-huis goederen of diensten aanbieden.
Zo heeft de koper het recht om de koopovereenkomst binnen acht dagen zonder opgave van redenen te ontbinden.
Volgens de rechter is een kleine zelfstandige nauwelijks van een particulier te onderscheiden en mag zich daarom ook op de Colportagewet beroepen.
|
|
Artikel 7 Winkelier aansprakelijk !!
Winkel aansprakelijk voor transactie met gestolen creditcard.
Een winkelier die een betaling met een gestolen creditcard accepteerde, moet aan de gedupeerde alle schade vergoeden.
De winkelier had de kaart en de getoonde legitimatie beter moeten controleren.
De handtekening op de kaart kwam niet overeen met de krabbel van de dief op de sales-slip.
Ook leek hij in het geheel niet op de foto op het rijbewijs dat hij liet zien.
|
|
|
|
|
|
|